Zoals gemeld werden op de oeverwallen langs de Reest, in de dertiende en veertiende eeuw, kleine stukjes landbouwgrond ontwikkeld. Op deze plekken kwamen de eerste boerderijtjes, waar
schapenhouderij een hoofdmiddel van bestaan was, de naar het zuiden uitstrekkende heidevelden leenden zich uitstekend voor het weiden van schapen. Omstreeks 1750 werd zelfs
heideveld verhuurd voor het weiden van schapen.Ook werd er wel boekweit verbouwd.
In het register van 1602 staan voor IJhorst 1102 schapen genoteerd, gezien het aantal kan men constateren dat schapenhouderij voor dit gebied zeer belangrijk was. Voor zover bekend stonden bij twee erven schaapskooien, op het Strik en bij de Ruststee, of deze door verschillende boeren gebruikt werd is niet zeker. Klooster Dickninge had waarschijnlijk in IJhorst een eigen schaapskooi, bekend als het Convents - Schots erf, ook wel Schaapsschot genoemd. In de rekeningen van het klooster Dickninge wordt het Convents - Schots erf voor het eerst in 1606 genoemd.
De ,, beweiding van de heide door schapen had tot gevolg dat er kale plekken gingen ontstaan, wat tot gevolg had dat er zandverstuivingen ontstonden. Zou het ontstaan van
,,De Witte Bergenhier een gevolg van zijn geweest ?
Door de overheid werd tegen deze verstuivingen opgetreden omdat het gras- en bouwland te kostbaar was om verloren te laten gaan. Er stonden strenge straffen op het niet effectief bestrijden van de zandverstuivingen, ook bestond er een omvangrijke herbeplantingsplicht. Dat er nu in het begin van de éénentwintigste eeuw een zeer groot bosgebied aanwezig is, zal hiermee te maken hebben gehad.