Naast de schapenhouderij waren ook andere vormen van landbouw hier aanwezig, wat blijkt uit gedetailleerde verpondingen (belastingen op onroerend goed) uit het begin van de zeventiende eeuw.
Het kerspel IJhorst bestond toen uit 16 erven, die als zodanig ook al in het laatst van de veertiende eeuw werden genoemd. In het oudste verpondingsregister van 1602 werden voor gebruikslanden totalen genoteerd van 187 mud geseij(ongeveer 60 h.a.), 144 dagmaat (ongeveer 75 h.a.) hooiland en 158 koeweiden. Uit aantekeningen kan worden opgemaakt, dat het ingezaaide koren toen nog in hoofdzaak uit rogge bestond. `
De rundveehouderij droeg in belangrijke mate bij tot de mestwinning. Al vroeg werd in IJhorst het potstalsysteem toegepast, de hoge zanddekgronden rond de Reest en de Vledders werden dan ook intensief gebruikt voor de winning van zandplaggen. Ook heideplaggen werden gestoken in het achterliggende heide gebied, deze leenden zich ook uitstekend om gemengd te worden met de aanwezige runder, varken en schapenmest.
Rond 1900 hadden er jaarlijkse verhuringen plaats voor het steken van heideplaggen en
het steken of graven van turf. Vaak werd dit notarieel vastgelegd, het geen blijkt uit de vele akten van die tijd, notarissen hadden het druk hiermee.
Alle IJhorster boeren hadden heideveld liggen,, achter de dennebos" tot aan de grens met Nieuwleusen, waar vrij veel hoogveen (sponturf) en laagveen (baggerturf) aanwezig was.
In het voorjaar werd meestal een advertentie geplaatst in de Meppeler Courant wanneer
de verhuring of verkoping plaats had.